Botscan (skeletscintigrafie)
Met een botscan kunnen verschillende soorten aandoeningen van het skelet worden vastgesteld. Overal waar het botweefsel bijzonder actief groeit, zal op de scan een oplichtende plek ('hot spot') te zien zijn.
Dit komt bijvoorbeeld voor na een breuk of scheurtje in het bot, bij een ontsteking of bij uitzaaiingen van kanker. Bij het onderzoek wordt gebruik gemaakt van een licht-radioactieve vloeistof. Dit is echter voor de patiënt of zijn naasten niet schadelijk.
Het onderzoek bestaat uit twee afspraken. Bij de eerste afspraak wordt door middel van een injectie in een bloedvat in de arm een kleine hoeveelheid radioactieve stof ingespoten. Deze injectie is te vergelijken met een prik bij het bloedprikken.
Na de injectie moet de radioactieve stof de tijd krijgen zich in het lichaam te verdelen en de actieve gebieden in het skelet op te zoeken. De overtollige vloeistof wordt via de blaas uitgescheiden. Het is daarom belangrijk veel te drinken.
Bij de tweede afspraak - een aantal uren later - worden de foto’s genomen. Voor het onderzoek moet de blaas leeg zijn, dus even plassen van tevoren. De patiënt moet voor het onderzoek op een onderzoekstafel gaan liggen. De scan is een apparaat dat langzaam van het hoofd naar de voeten toe beweegt en het hele lichaam scant op ‘hot spots’. Van het onderzoek zelf merkt de patiënt niets. Het onderzoek duurt ongeveer 20 tot 30 minuten.
De nucleair geneeskundige is de arts die de foto’s beoordeelt. Als de foto’s technisch goed gelukt zijn, mag de patiënt weer naar huis. De behandelend arts krijgt binnen enkele werkdagen, meestal nog dezelfde dag, de uitslag.